Verslag KNHG-najaarscongres ‘Cool, Calm and Collected’


Thomas Dixon, Kristine Steenbergh en Dorothee Sturkenboom leggen het belang van emotiegeschiedenis uit.

Op vrijdag 4 november 2011 vond het najaarscongres van het KNHG plaats in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Het doel van dit congres was een aanzet te geven tot de beoefening van emotiegeschiedenis in Nederland.
In de introductie benadrukte Herman Roodenburg (Meertens Instituut – KNAW) dan ook dat het om het eerste congres op dit gebied in Nederland ging. Dat is relatief laat, aangezien Johan Huizinga zich al bezighield met emotiegeschiedenis. De laatste jaren is er echter sprake van een groeiende interesse in de geschiedenis van emoties in Nederland. Dat blijkt onder andere uit het onlangs opgerichte onderzoeksinstituut ACCESS (Amsterdam Centre for Cross-disciplinary Emotions and Sensory Studies), dat is gehuisvest aan de Vrije Universiteit en waarvan de website tijdens het congres werd gelanceerd.

De keynote lecture werd gegeven door Thomas Dixon, directeur van het Queen Mary Centre for the History of the Emotions in Londen. Dixon behandelde in zijn lezing de geschiedenis van het huilen in Engeland. Hij toonde aan dat huilen in de achttiende eeuw verschillende betekenissen kon hebben. Zo ging het niet alleen om een uiting van verdriet maar ook van lust, piëteit of waanzin.
Dixon benadrukte overigens dat er een gevaar bestaat om emoties als universeel te zien, terwijl ze voortdurend opnieuw zouden moeten worden geduid, zowel in geografisch, cultureel, nationaal, religieus als in historisch opzicht. Hij concludeerde dan ook dat moderne psychologie niet toepasbaar is op het verleden, omdat ons denken over emoties sterk is veranderd.

Maar liefst acht sprekers lieten vervolgens zien op welke manieren emotiegeschiedenis in Nederland kan worden bedreven. Hun lezingen, die betrekking hadden op de middeleeuwen en vroegmoderne tijd, gingen onder andere in op de samenhang tussen nationale identiteit en emoties. Het stereotype van de rationele, koele, kalme Nederlander was daarbij dikwijls een uitgangspunt.

Devotie, eerwraak en stoïcisme

Zo liet Mathilde van Dijk (Rijksuniversiteit Groningen) zien dat de typering ‘koel’ niet van toepassing was op de laatmiddeleeuwse Modern Devoten. Net als bij veel Europese religieuze bewegingen lieten zij hun liefde voor Christus blijken door uitbundige uitingen van emotie, waarbij emoties werden gezien als een praktische oefening in het imiteren van Christus. Matthijs Gerrits (Universiteit Leiden – Fryske Akademy) behandelde vervolgens angst als emotie aan het hof van Holland, met behulp van de 13e-eeuwse Rijmkroniek van Melis Stoke. Aan de hand van de woorden die het meest voorkwamen, concludeerde hij dat de Rijmkroniek is doordrongen van emoties die te maken hebben met vetes. Het ging hierbij om wraak en eer, maar ook om emoties die daarbij hoorden, zoals boosheid, haat, verdriet, en zelfs blijdschap.

Volgens Kristine Steenbergh (Vrije Universiteit) probeerde Vondel door middel van zijn stuk Maria Stuart (1646) een emotionele categorie toe te voegen aan de Europese discussie over het radicaal protestantisme. Vondel representeerde de puriteinen als stoïcijns en gevoelloos en als gevaar voor de maatschappij. Mary Stuart werd daarentegen gerepresenteerd als een martelares met typisch katholieke emoties. Over emotie en kunst sprak ook Eric Jan Sluijter (Universiteit van Amsterdam), die overtuigend liet zien hoe Rembrandt niet langer emoties schilderde als middel om een verhaal over te brengen, maar deze centraal stelde. Dit deed hij door het publiek bij zijn schilderij te betrekken; enerzijds door schokkende, dramatische momenten te schilderen, en anderzijds door zwijgende, bewegingsloze figuren te schilderen.

Rationeel en koel

Ook methodologische aspecten van emotiegeschiedenis werden besproken. Fred van Lieburg (Vrije Universiteit) concludeerde aan de hand van een dagboek van een anonieme protestant uit 1750 dat er naast onderzoek naar officiële instituties zoals de kerk, meer onderzoek moet komen naar private emotionele gemeenschappen, zoals het gezin en vriendengroepen, waarbinnen op een hele andere manier met religie en emotie werd omgegaan.

De laatste sessie was geheel gewijd aan de 18e eeuw. Volgens Wessel Krul (Rijksuniversiteit Groningen) zorgde het burgerlijke karakter in Nederland ervoor dat internationale trends – die als ‘aristocratisch’ werden gezien – niet werden nagevolgd. Nederlanders wilden zichzelf graag zien als kalm en rationeel. Edwina Hagen (Vrije Universiteit) vertelde vervolgens dat de politicus Rutger Jan Schimmelpenninck veel succes bereikte door zichzelf bewust te presenteren als een sensitieve man. Dat werd echter door politieke tegenstanders ook tegen hem gebruikt. Zij zetten hem neer als iemand die geen controle had over zijn emoties en die belangrijke beslissingen overliet aan zijn dominante echtgenote.
Tenslotte ging Dorothee Sturkenboom (onafhankelijk onderzoeker) in haar slotlezing in op de koele, rationele Nederlander. Ze droeg twee mogelijke oorzaken aan voor het ontstaan van deze stereotype identiteit: klimaattheorieën die Nederlanders als flegmatisch kenmerkten en het stereotype beeld van de Nederlander die alleen interesse zou hebben voor geld en winst maken.

In het slotwoord benadrukte Thomas Dixon nogmaals de vele moeilijkheden die emotiegeschiedenis met zich meebrengt. Verschil in taalgebruik, zowel geografisch als historisch, maakt het lastig om de betekenis van verschillende begrippen zoals empathie, passie, sensatie, sentiment, gevoel, sensibiliteit, drift, temperament, enzovoorts, te achterhalen. Anachronismen zijn moeilijk te vermijden. Daar moet de onderzoeker zich in ieder geval bewust van zijn.
Aan de andere kant lieten de lezingen volgens Dixon overtuigend zien op wat voor manier emoties geplaatst kunnen worden. Ook kwam de diversiteit aan bronnen die gebruikt kunnen worden voor emotiegeschiedenis duidelijk naar voren: van toneelstukken, schilderijen, opera’s en standbeelden tot egodocumenten en medische en theologische traktaten. Emotiegeschiedenis, zo liet het congres zien, is ook in Nederland een vak in opkomst.

Mark Loeffen (Vrije Universiteit)