Professioneel zelfvertrouwen en maatschappelijk engagement

Eerste opbrengsten uit de sessie Beroepsethiek voor Historici tijdens het KNHG Jaarcongres voor Historici.

De historicus heeft het anno 2016 niet gemakkelijk. Het geloof in zijn eigen autonomie is hij allang kwijtgeraakt, maar toch sluimert er in zijn achterhoofd een verlangen naar houvast, naar een fundering waarop hij zich kan baseren. Tijdens de ochtendsessie van het KNHG Jaarcongres voor Historici werd een poging gedaan dit verlangen in woorden te vatten. In hoeverre is het nog mogelijk een zekere vorm van onafhankelijkheid na te streven, en wat houdt die onafhankelijkheid precies in?

Ethisch referentiekader
Naar aanleiding van het position paper ‘Samenwerken voor geschiedenis’ dat tijdens het Jaarcongres werd gepresenteerd door de werkgroep Beroepsethiek voor historici, stonden de beroepethische dilemma’s waarmee de historicus in zijn werk wordt geconfronteerd centraal. Het doel van het paper is het opstellen van een gemeenschappelijk handelskader om zodoende de dialoog over deze ethische dilemma’s op gang te helpen. Tijdens de ochtendsessie werd ernaar gestreefd dit doel na te leven door middel van interactieve elementen aan de discussies toe te voegen. Het publiek kreeg de kans om via hun telefoon te stemmen op stellingen waarvan de uitkomst live op een scherm te zien was; en voorafgaand aan het congres was er een enquête onder de KNHG-leden en bezoekers van Historici.nl verspreid met als doel de discussie op gang te helpen. Aan de hand van voorbeelden uit de praktijk werd er in korte pitches gereflecteerd op de conflicten waarmee de historicus zichzelf geconfronteerd ziet tijdens zijn werk. Hierin vielen twee lijnen te ontwaren die de discussie stuurden: enerzijds het professionele zelfvertrouwen van de historicus en anderzijds zijn maatschappelijk engagement.


Professioneel zelfvertrouwen
De ochtend werd afgetrapt door Berber Bevernage (Universiteit Gent). In zijn keynote State Sponsored History besprak hij de invloed van de staat in de geschiedschrijving en commemoratieve praktijken na 1945. Bevernage benadrukte de veranderende omgeving waarin de historicus zich moet handhaven. Allereerst noemde hij de opkomst van geïnstitutionaliseerde eigentijdse geschiedschrijving. In steeds mindere mate wordt het voor de historicus nodig geacht om temporele afstand te hebben tot het onderzoekssubject waarover hij schrijft. Onder invloed van staten, commissies, tribunalen en gerechtshoven is er een groeiende behoefte aan reflectie op mensenrechten- en identiteitspolitiek in het heden of nabije verleden. Hierbij ligt de nadruk op het proberen recht te zetten van historisch onrecht. De rol van de historicus verandert hierin mee. Niet langer is hij een afstandige onderzoeker; hij staat in deze praktijken juist temidden van de maatschappelijke debatten waarvan verwacht wordt dat hij erover schrijft.

Hoe verhoudt de historicus zich tot beroepsethische waarden in de praktijk? In vrijwel alle pitches kwam dit onderwerp naar voren. Opmerkelijk was, zo viel op te merken uit de resultaten van de enquête en de live-polls, dat het zelfvertrouwen in de professionaliteit van de historicus groot is. Met de stelling ‘Het is onmogelijk betrouwbaar historisch onderzoek te doen naar de contemporaine geschiedenis van het land de cultuur waarin je zelf bent opgegroeid’ was een ruime meerderheid van 89 procent het oneens. Problemen werden vooral ervaren wanneer de professionele uitgangspunten gehanteerd moeten worden in maatschappelijke vraagstukken.

Engagement
Welke verantwoordelijkheid draagt de historicus in de maatschappij? In ieder geval was bijna de gehele zaal (98 procent) het ermee eens dat historici per definitie betekenis moeten geven aan (en daarmee oordelen over) hun onderzoeksmateriaal. De historicus dient een actieve rol te spelen in de samenleving, zo bleek uit de vooraf opgestelde enquête waarin een meerderheid pleitte voor meer aandacht van de historicus in het publieke debat. Toch bleek uit de discussie in de zaal dat het niet geheel duidelijk was hoe daar invulling aan kon worden gegeven. Vooral de verhouding tussen ‘autonomie’ en ‘engagement’ bleek problematisch. Is het mogelijk om onafhankelijk te zijn en tegelijkertijd een geëngageerde rol te spelen? Het is een welbekend conflict in de geschiedwetenschap: sluit de historicus zich op in zijn ivoren toren of durft hij die zo nu en dan te verlaten? Het is een discussie zonder eind, maar een die het waard is gevoerd te worden.

Jilt Jorritsma
Robbert van Rumund
Vrijwilligers Werkgroep Beroepsethiek voor Historici