Verslag KNHG-najaarscongres ‘Woorden en daden. Mannelijkheid in de Lage Landen, 1800-2000’

Grote en minder grote mannen bepaalden lange tijd als held, staatsman of denker het beeld van het verleden. De recente roep om meer aandacht voor de nationale geschiedenis bezorgde hen zelfs een opmerkelijke come-back.

VERSLAG KNHG-NAJAARSCONGRES

Mannelijkheid in de Lage Landen 1800-2000. De geschiedenis van ‘mannelijkheid’ op eigen benen
Twee ranke benen in witte broekspijpen prijkten dit jaar op het affiche van het najaarscongres. Naar de rest van de afbeelding kon de toeschouwer raden, al was de eigenaar van het benenpaar niet de minste en zal kunstenaar Joseph Paelinck niet de intentie hebben gehad om zijn portret van Willem I zo te fragmenteren. Het afsnijden van de meer herkenbare bovenste helft van het portret was al een indicatie van het thema van het congres. Het ging niet zozeer over de geschiedenis van ‘grote mannen’ als wel over het recente onderzoek van Vlaamse en Nederlandse historici naar ‘mannelijkheid’. Doel was om zowel een historiografisch overzicht te geven als om de balans op te maken van het huidige onderzoek naar ‘mannelijkheid’ in de Lage Landen. Met een gevarieerd dagprogramma probeerden de organisatoren de historische diversiteit en de veranderlijkheid van ‘mannelijkheid’ te vatten. In de ochtend ging de aandacht vooral uit naar de inhoud van het begrip in het politieke en religieuze discours, in de middag naar de invulling van ‘mannelijkheid’ in de moderne beeldcultuur, sociale hervormingsbewegingen en het leven van individuele mannen.
Stefan Dudink (Radboud Universiteit Nijmegen) opende vanuit de premisse dat ‘mannelijkheid’ niet met het lichaam gegeven is, maar moet worden verworven en kan worden uitgedrukt in kledingstijl. Rond 1800 werd het moderne mannenbeen geïntroduceerd. De nieuwe broekenmode, ook te zien op het portret van Willem I, toonde een lang been uit één stuk (in tegenstelling tot de oudere kniebroek) en had een Frans luchtje.
De ‘moderne’ broek was immers terug te voeren tot de ‘sans-cullottes’ en gaf een egalitaire patriottische gezindheid weer, een ideaal van mannelijkheid en vaderlandsliefde. Het (neoklassieke) ‘natuurlijke’ onopgesmukte lichaam stond daarbij voor politieke oprechtheid en transparantie, symboliseerde gelijkheid tussen mannen maar beklemtoonde ook de verschillen tussen mannen en vrouwen. Een broek met revolutionaire connotaties was bijgevolg geen neutrale garderobekeuze voor een restauratievorst. Veilig omkaderd door vorstelijke parafernalia zoals de koningsmantel die continuïteit symboliseerden, kon het benenpaar een breuk met de vorige jaren verbeelden, alsook het vermogen om met ‘mannelijke’ kracht naar de toekomst te kijken.
Het gewicht van ‘mannelijkheid’ in het politieke discours was ook het onderwerp van de volgende lezing. Matthijs Lok en Natalie Scholz (UvA) gingen in hun bijdrage nader in op de politieke crisis van 1813-1815 in Nederland en Frankrijk. In beide landen werden verschillende concepten van mannelijkheid ingezet in de strijd om politieke legitimiteit. Zo was het een centraal begrip in de beeldvorming rond de restauratievorsten en de politieke ‘windvanen’ aan wie een gebrek aan mannelijke standvastigheid en daadkracht werd verweten. Ook in de zelfverdediging en presentatie van deze mannen klonk het belang van ‘mannelijkheid’ door, al werden er in beide landen andere klemtonen gelegd. Wisselende opvattingen over mannelijkheid speelden ook een rol in de portrettering van Lodewijk XVIII. Deze vorst keerde terug naar een land waar het (Napoleontische) ideaalbeeld van mannelijkheid militair getint was. Teruggrijpend naar een ouder beeld en een cultuur van sentimentaliteit die nog niet verdwenen was, cultiveerde deze restauratievorst het imago van vergevingsgezinde koning-vaderfiguur.
Thomas Buerman (UGent) wees in zijn uiteenzetting op het gebrek aan aandacht voor verschillen in vormen van mannelijkheid per denominatie. Zijn bijdrage over rooms-katholieke mannelijkheid in België begon hij met een recente publiciteitscampagne van de diocese van New York. In deze wervingscampagne worden het priesterschap en heldendom nauw met elkaar verbonden, om priester te worden moet je een ‘echte’ man zijn. Verwijzingen naar expliciete katholieke mannelijkheid, veelal in tijden van crisis, waren ook terug te vinden in het Belgische katholieke discours van onder andere de Pauselijke Zouaven (en de imitaties ervan op katholieke jongensscholen) aldus Buerman. Daarnaast bestond er volgens hem echter ook een katholiek androgyn basismodel waarin zowel ‘mannelijke’ als ‘vrouwelijke’ karaktereigenschappen werden gecombineerd, zoals in het beeld van de vaderfiguur die ook ‘vrouwelijke’ huiselijkheid ten toon moest spreiden. Ondanks die positieve evaluatie van deze ‘vrouwelijke’ eigenschappen, was een zekere vorm van misogynie toch niet weg te denken in het katholieke discours.
Mannelijkheidsconstructies in het Belgische discours waren ook het thema van de uiteenzetting van Henk De Smaele (Universiteit Antwerpen). Hij ging nader in op de betekenis van sexy mannelijkheid in de jaren vijftig en de vroege jaren zestig in de Vlaamse filmkritiek. Met hun gebeitelde lichaam leken de filmgoden van de nieuwe generatie te beantwoorden aan Mosse’s ‘moderne mannelijke stereotype’, symbool van burgerlijke orde en van hang naar vooruitgang. Maar, zo geeft De Smaele aan, de sexy mannen aan het Hollywoodfirmament stonden juist voor verzet tegen deze orde die werd gepersonifieerd door de grijzende, corpulente mannen in pak. De geërotiseerde mannelijkheid van de nieuwe ‘Kazan-boys’ kenmerkte tevens ook de uitvinding van de vrouwelijke heteroseksualiteit in de jaren vijftig. Hollywood zou dan ook niet enkel de aanzet geven voor een discussie over Vlaamse mannelijkheid en rebellerende jeugd, maar riep bij mannen ook vragen op over hun eigen fysieke verschijning en aantrekkelijkheid, het begin van het Adoniscomplex.
De koppeling van een mannelijkheidsdiscours aan sociale problematiek was ook kenmerkend voor het betoog van Gemma Blok (UvA). Zij ging nader in op de opvattingen van mannelijkheid in de discussies over het stijgende alcoholgebruik in Nederland. Aan het einde van de negentiende eeuw werd het traditionele beeld van de drinkebroer overschaduwd door het stereotype van de ‘ellendedrinker’. Werd drinken voorheen nog als ‘mannelijk’ getypeerd, nu werd het in het zogenaamde ‘drunkard-narrative’ als ‘ontmannelijkend’, verslavend omschreven. Overwegend christelijke geheelonthouders (b.v. Het Kruis) idealiseerden rond 1900 een leven zonder alcohol en verspreidden de idee dat alcoholisme een ziekte was. Ze vertegenwoordigden daarbij een ideaal van een solidair en sociaal betrokken mannelijkheid en maakten zo het werk in de achterbuurten dat daarvoor met vrouwen werd geassocieerd ook voor mannen acceptabel.
Jolande Withuis (NIOD) tenslotte ging nader in op het leven van de verzetsstrijder Pim Boellaard. Wat was de betekenis van ‘manlijk’ voor Boellaard? Zijn leven omspande nagenoeg de hele twintigste eeuw en Boellaard was dan ook getuige van de invoering van het vrouwenstemrecht, veranderingen in het familieleven en de verhoudingen tussen de seksen. Ondanks zijn vooruitstrevende houding als werkgever zou hij niet beseffen dat de patriarchale verhoudingen uit zijn kindertijd niet meer gangbaar waren en hij voerde dan ook geen veranderingen door op familiegebied. ‘Mannelijkheid’ bleef bij hem gekoppeld aan het kostwinnerschap en het nemen van verantwoordelijkheid.
Het congres ging vooral over de verbeelding van mannelijkheid, het vastkoppelen ervan aan het mannelijke lichaam en de wisselende (politieke) geladenheid van het begrip. De nadruk lag daarbij op recent historisch onderzoek, al waren er her en der verwijzingen naar pioniers in de studie van ‘mannelijkheid/-heden’. Het programma sprak een breed publiek aan en nodigde ook een groep Gentse studenten (van het onderzoeksseminarie ‘gendergeschiedenis’ binnen de Master Geschiedenis) en een aantal leden van het nog jonge Forum voor Belgisch onderzoek naar vrouwen-, gender- en seksualiteitsgeschiedenis uit om de grens over te steken. De veelzijdigheid van de lezingen en de talrijke opkomst tonen in ieder geval aan dat de jonge subdiscipline ook in de Lage Landen op ‘eigen benen’ staat.