J.L. Heldring over BMGN themanummer internationalisering van nationale geschiedenis

‘Wij hebben alle vensters van ons huis openstaan en laten er de zeewind en de landwind vrij door blazen. Aanrakingen van eeuwen her hebben ons met Franse, Engelse en Duitse geest vertrouwd gemaakt.” Geen ander volk weet „zo gelijkmatig de stroom van drie verschillende cultuurkringen te verwerken en zo nauwkeurig de geest van alle drie te verstaan.”
Zo schreef Huizinga in 1934 in Nederland’s geestesmerk. Maar is dat wel waar, was het toen waar? Ja, misschien wel voor een kleine intellectuele en culturele elite, maar het gros van het volk kreeg op school niet meer dan vaderlandse geschiedenis. Het woord zegt het al: andere volken kwamen we slechts als vijanden tegen: Spanjaarden, Engelsen, Fransen, Belgen. Tegen de Duitsers hadden we nog geen oorlog gevoerd.
Dat was het beeld dat we op de lagere school meekregen, op de meest impressionabele leeftijd. In andere landen zal het niet anders zijn geweest. Wat weten ze van elkaar? Elk volk leefde in een soort ‘Reinkultur’, en dat is in belangrijke mate nog zo. Wat van Nederland gezegd kan worden, is dat het, als klein land, gedwongen was meer kennis te nemen van wat er buiten de grenzen geboden werd. Op de middelbare school waren Frans, Duits en Engels verplichte leerstof.
Vreemde invloeden hebben zich dus wel doen voelen, maar in het onderwijs drongen die nauwelijks door. Het laatste nummer van het kwartaalschrift Bijdragen en Mededelingen betreffende de Nederlandse Geschiedenis (2009/4) is gewijd aan dit thema: de internationalisering van de nationale geschiedenis. Veel van wat wij als typisch Nederlands plegen te beschouwen (de verzuiling bijvoorbeeld), blijkt, bij nader inzien, helemaal niet zo uitzonderlijk te zijn. Typisch zijn alleen de Nederlandse varianten van algemene verschijnselen.
Dat geldt, om te beginnen, voor het ontstaan van de Nederlandse natie uit de opstand tegen Spanje. Welnu, die hoort, zoals Judith Pollmann aantoont, thuis „in het rijtje grote vroegmoderne religieus-politieke conflicten, waartoe ook de Franse godsdienstoorlogen en de Engelse burgeroorlog behoren”. Wat dat betreft, was die opstand, anders dan het beeld dat wij van jongsaf meekregen, een bij uitstek ‘internationale’ oorlog.
Internationaal was die opstand ook als „inspiratiebron voor burgerlijk activisme” elders. In Amerika werd twee eeuwen later naar de Opstand verwezen als precedent voor de eigen onafhankelijkheidsstrijd, en ook Motleys geromantiseerde boek over The Rise of the Dutch Republic heeft, weer bijna een eeuw later, het beeld dat de Amerikanen van Nederland hebben, grotendeels bepaald. In Europa was er een vloedgolf van toneelstukken en opera’s waarin helden uit de Opstand figureren.
Aan Nederlands onafhankelijkheid kwam een voorlopig eind in wat gewoonlijk de ‘Franse tijd’ wordt genoemd, maar Annie Jourdan toont aan dat de veranderingen die toen ingevoerd werden, niet allemaal Franse import waren. Ja, de opstand van de Patriotten tegen Oranje kwam twee jaar vóór de Franse Revolutie van 1789, en de eerste verklaringen van de rechten van de mens waren uit Nederland afkomstig (1785).
Zo gezien is de Franse Revolutie, Frankrijks grootste gift aan de wereld, helemaal niet zo Frans, maar eveneens uiting van een internationaal verschijnsel, dat zich in Noord-Amerika al had gemanifesteerd. Trouwens, de Britse historicus Jonathan Israel ontdekte in het zeventiende-eeuwse Nederland een nog eerdere en radicale onderstroom van de Verlichting, waarvan Spinoza de belangrijkste exponent was.
Ook de grondwet waaronder wij nu nog leven – na de Amerikaanse de oudste nog vigerende – is niet zo ‘eigen’ als wel gedacht wordt. De geestelijke vader ervan, Thorbecke, die als geen ander de Franse en Duitse constitutionele literatuur kende, was zich daar wel van bewust. „Op deze weg is geen natie met zich alleen”, merkt hij op in zijn Aanteekening op de Grondwet (1841). En Remieg Aerts citeert in zijn artikel ook deze mooie woorden van Thorbecke:
„Vanwaar ontleent gij die lijst van Nederlandse beginselen? Uit herinnering? Met herinneringen regeert men zomin als men de honger stilt met de maaltijd van gisteren. Is slechts Nederlands wat bij ons bestaat of bestond? Elke vernieuwing of verandering anti Nederlands? Onze tijd wordt door nieuw opgekomen algemene krachten in wetenschap, kunst, nijverheid, zowel als in staatsvorming, beheerst. Ons in zulk een tijd afzondering voor te schrijven, dit is ons doodvonnis uitspreken.”
Minder verrassend is het wellicht van Niek Pas te vernemen dat de Nederlandse jaren zestig van de vorige eeuw niet uiting van een Nederlandse ‘Sonderweg’ waren, maar eerder onderdeel van een trans-Atlantische protestcultuur – hoewel ook hier Nederland misschien met Provo, dat twee jaar eerder dan het legendarische jaar 1968 de internationale aandacht trok, een eerstgeboorterecht kan doen gelden, althans in Europa.
Kortom, ieder land, iedere cultuur is uniek, maar zoals Henk te Velde in zijn inleidend artikel schrijft: „De claim van exceptionalisme veronderstelt vergelijking, maar die wordt zelden systematisch uitgevoerd door de verkondigers ervan.”

© NRC Handelsblad 11 februari 2010