In memoriam prof.dr. J.J. Woltjer (24 januari 1924 – 20 april 2012)

Juliaan Woltjer was een bedachtzaam, hoffelijk en op het eerste gezicht misschien afstandelijk mens. Maar wie hem wat beter leerde kennen, ontdekte het vuur in hem, dat gloeide voor zijn vak: de Nederlandse geschiedenis. Aanvankelijk studeerde hij theologie en geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, om na de propedeuse alleen met geschiedenis verder te gaan. Hij voltooide die studie te Leiden. Na een aantal jaren werkzaam te zijn geweest aan de Koninklijke Bibliotheek trad hij in 1957 in dienst als medewerker bij de leerstoel vaderlandse geschiedenis van de Leidse universiteit, waar hij bleef tot zijn afscheid in 1985, vanaf 1973 als lector en later als hoogleraar.
Zijn Leidse proefschrift, Friesland in hervormingstijd (1962), is een klassiek boek, want het combineerde op meesterlijke wijze politieke, religieuze en sociaal-economische geschiedenis van dit gewest vlak voor en tijdens de eerste fasen van de Nederlandse Opstand. Zijn grote ontdekking was het bestaan van de ‘middengroepen’, mensen die niet wensten mee te doen aan de polarisatie tussen katholiek en protestant, pro- of anti-Spaans, maar bleven streven naar matiging van het conflict en, als het even kon, naar vrede. Aan het einde van Woltjers loopbaan staat een tweede grote boek over de Opstand, dat ongetwijfeld een klassieker zal worden: Op weg naar tachtig jaar oorlog (2011). Daartussen ligt een gevarieerd oeuvre, dat zich ook uitbreidde naar andere tijdvakken van de Nederlandse geschiedenis. Zo schreef hij in 1965 een even heldere als beknopte geschiedenis van de Leidse universiteit. Vanaf 1992 lag zijn boek Recent verleden: Nederland in de twintigste eeuw in grote stapels bij de boekhandel. Dit knappe overzichtswerk werd door vakgenoten en niet-vakgenoten gretig gelezen.
Ook in het onderwijs kwam Woltjers kennis van de gehele Nederlandse geschiedenis na de Middeleeuwen tot zijn recht. Maar juist in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werden allerlei momenten uit de Opstand herdacht. Woltjer schreef dan steeds weer doorwrochte en originele studies. Vijf bijdragen werden in 1994 gebundeld in Tussen vrijheidsstrijd en burgeroorlog.
Tevens was hij actief als bestuurder, zij het liever niet aan de Leidse universiteit. De bestuurlijke hervormingen aan de Nederlandse universiteiten konden hem niet bekoren: teveel bureaucratische en manageriale onzin. Maar voor het KNHG, toen nog Nederlands Historisch Genootschap, stelde hij graag zijn tijd en kunde beschikbaar. En als het ging om grote projecten, zoals bronnenuitgaven door wat toen de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis heette, en werkzaamheden voor het Biografisch Woordenboek van Nederland, werd nooit tevergeefs een beroep op hem gedaan. Het Nederlands Comité voor Geschiedkundige Wetenschappen (de Nederlandse afdeling van het Comité International des Science Historiques) diende hij lang als secretaris-penningmeester. Uit dien hoofde maakte hij in 1970 het 13e Internationale Congres voor Historische Wetenschappen in Moskou mee, waar ik hem leerde kennen.
Met Juliaan Woltjer is een groot en tevens bescheiden geleerde heengegaan, die altijd bereid was van anderen te leren en zijn eigen kennis met anderen te delen. Zijn promovendi waardeerden hem hogelijk en hele generaties historici uit binnen- en buitenland zullen hem zich blijven herinneren, bijvoorbeeld in zijn rol als voorzitter van de ‘Contactgroep XVIe Eeuw’, een volstrekt informeel maar daarom niet minder wetenschappelijk gezelschap dat hij ergens in het begin van de jaren zeventig oprichtte en decennialang leidde.
M.E.H.N. Mout, Warmond