In Memoriam Cees Fasseur

Op 13 maart 2016 is historicus en jurist Cees Fasseur (1938-2016) overleden. Fasseur werkte op het Ministerie van Justitie, toen hij in 1969 de zogeheten excessennota publiceerde, over mogelijke oorlogsmisdaden begaan door Nederlandse militairen ten tijde van de politionele acties in de jaren van Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. In het voorwoord van zijn proefschrift over het negentiende-eeuwse cultuurstelsel op Java, waarop hij in 1975 in Leiden promoveerde, schreef hij vervolgens: ‘Iedere vraagstelling heeft haar beperkingen en wordt in belangrijke mate door persoonlijke voorkeuren bepaald. Mij interesseerde vooral de vraag hoe de koloniale overheerser reageerde op de krachten die hij – gewild en ongewild – met het kultuurstelsel in beweging bracht.’[1] Het thema van de excessennota resoneert in deze vraagstelling; ditmaal neergezet en onderzocht zonder de beperkingen van de ambtenaar op Justitie.

266px-CeesFasseur

Kort na zijn promotie werd Fasseur in 1977 aan de Leidse Universiteit benoemd tot bijzonder hoogleraar, in 1986 gevolgd door een gewoon hoogleraarschap. De koloniale geschiedenis vormde de voornaamste focus van zijn werk. In 1992 verscheen een Engelstalige editie van zijn proefschrift bij Cornell University; in 1993 verscheen bij Bert Bakker het omvangrijke naslagwerk De indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950, gevolgd in 1996 door Indischgasten. Ook in zijn biografieën, zoals de twee delen over Koningin Wilhelmina (Balans, 1998 en 2003) of de biografie van Pieter Sjoerds Gerbrandy (Balans, 2014) was de koloniale geschiedenis prominent aanwezig. Ze vormde voor Fasseur, zelf geboren in toenmalig Nederlands-Indië, geen specialisatie binnen de Nederlandse geschiedenis, maar een integraal deel daarvan.

Fasseurs werk nodigde vaak uit tot historiografisch debat, met name over de aard van de beschikbare archieven en de mate van toegankelijkheid daarvan, zoals speelde bij de beperkte toegang tot het Koninklijk Huisarchief. Verschillende keren werkte hij immers mede op basis van vertrouwelijk ter inzage gegeven materiaal, zoals ook het geval was bij het bronnenonderzoek van de Commissie Davids over de Nederlandse positie bij de Amerikaanse inval in Irak. Fasseur ging de discussie daarover vol overtuiging aan, vertrouwend op zijn vakbekwaamheid. In zijn memoires, die in April postuum verschijnen, zal hij hierover ongetwijfeld verder uitwijden.

Voorzitters van het NHG-bestuur: J. A. Bornewasser, P. W. Klein, C. Fasseur, E. H. Kossmann en G. N. van der Plaat (25 jarig ambtsjubileum G. N. van der Plaat, 27 januari 1995, Hotel des Indes, Den Haag)

Voorzitters van het NHG-bestuur: J. A. Bornewasser, P. W. Klein, C. Fasseur, E. H. Kossmann en G. N. van der Plaat (25 jarig ambtsjubileum G. N. van der Plaat, 27 januari 1995, Hotel des Indes, Den Haag)

Met respect gedenken wij Cees Fasseur als een belangrijk historicus die ook in het KNHG zijn sporen heeft nagelaten. Van januari 1987 tot september 1992 maakte hij deel uit van de redactie van BMGN. De Algemene Ledenvergadering van november 1992 benoemde hem vervolgens tot voorzitter van het KNHG. In die rol sprak hij in 1993 in zijn jaarrede voor de leden over ‘historische kennis als het cement en bindmiddel tussen de generaties’.[2] Zijn voorzitterstermijn liep tot november 1997. In die jaren was hij de initiatiefnemer van het predicaat Koninklijk dat het Nederlands Historisch Genootschap werd verleend in september 1995, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het genootschap.

Susan Legêne, voorzitter KNHG.

[1] C. Fasseur, Kultuurstelsel en koloniale baten. De Nederlandse exploitatie van Java 1840-1860. Leiden 1975, p. XIV.

[2] L.J. Dorsman en E. Jonker, Anderhalve eeuw geschiedenis. (Nederlands) Historisch genootschap 1845-1995. ’s-Gravenhage 1995, p. 138.