In memoriam Arie Theodorus van Deursen (Groningen 1931 – Oegstgeest 2011)

Op 21 november is de historicus Arie van Deursen overleden. Hij was niet alleen hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam (1971-1996), maar ook voorzitter van de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis. Hij bekleedde die functie bij deze voorloper van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis van 1978 tot 1986.

Van Deursen begon ook zijn loopbaan bij het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse geschiedenis. Als medewerker, van 1958 tot 1967, gaf hij twee delen uit in de nieuwe reeks van de Resolutiƫn van de Staten-Generaal 1610-1670. Op basis van de kennis die hij hier opdeed, ontplooide hij zich aan de Vrije Universiteit tot een grondige en veelzijdige kenner van de late zestiende en de zeventiende eeuw. Zijn vele publicaties getuigen van zijn liefde voor de gewone man en vrouw, aan wie hij recht wilde doen. Daarmee stond hij mede aan de wieg van de beoefening van de geschiedenis van de volkscultuur in Nederland. Het kerkelijke leven zag hij als een dragende component. In zijn meest recente boek, verschenen in oktober 2011, over de recente geschiedenis van Katwijk, zijn laatste woonplaats, keren deze elementen terug.

Als voorzitter van de Rijkscommissie besteedde Van Deursen de meeste aandacht aan de inhoudelijke kant van die taak. Hij bevorderde de praktische samenwerking met de universiteiten. In de wetenschappelijke wereld wist hij als bestuurslid van ZWO (nu NWO) bovendien uitstekend de weg. Als toezichthouder had Van Deursen oog voor efficiency en verbetering. Tijdens zijn voorzitterschap werden verder belangrijke projecten op het programma gezet of uit het slop gehaald. Deze lagen onder andere op de terreinen van de geschiedenis van de Staten van Holland, van de reformatie in Nederland en van de geschiedenis van Oost-Indiƫ.

Joke Roelevink
Senior-onderzoeker
Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis