De maatschappelijke taak van de historicus

Op 1 juni werd in Leiden een ‘Middag over Geschiedenis en Maatschappij’ gehouden. Aanleidingen waren de presentatie van het boek Het vaderlandse verleden. Robert Fruin en de Nederlandse geschiedenis (onder redactie van Herman Paul en Henk te Velde) en de Tweede Kamerverkiezingen van 9 juni.

Oneliners en wetenschappelijke bijdragen
In het prachtige Groot Auditorium van de Universiteit Leiden opende rector magnificus Paul van der Heijden de middag. Hij wees op de drie taken van wetenschap en dus ook van historici: onderwijs, onderzoek en valorisatie (de maatschappelijke bijdrage van wetenschap tonen). Een veelzijdige eis, aldus de rector, want er bestaat een spanning tussen het naar voren brengen van het maatschappelijke belang in enkele oneliners in de media, en een wetenschappelijke bijdrage leveren voor een peer reviewed A-tijdschrift of topcongres. Maar in ieder geval moet de wetenschapper zich niet terug trekken in de Ivoren Toren. Juist iemand zoals Robert Fruin kan ons leren dat een goede historicus ook maatschappelijk relevant werk levert.

Wat kan Fruin ons leren?
Henk te Velde, als hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis in Leiden opvolger van Fruin, maakte een analyse van Fruins oratie ‘De onpartijdigheid van den geschiedschrijver’. Fruin vond dat een goede historicus een onderscheid tussen waar en onwaar maakt, waarbij onpartijdigheid een vereiste is. Maar Fruin vond ook dat een goede historicus een bijdrage levert aan het stimuleren van de vaderlandsliefde. Voor Fruin waren Thorbeckeaanse liberalen onpartijdig: alleen zij stonden boven de partijen en konden onafhankelijk oordelen. Onpartijdigheid betekende voor Fruin dus niet dat een historicus zich verre hield van politiek, onpartijdigheid paste juist in zijn politieke opvattingen. Ook de vereiste van vaderlandsliefde past in de tijd van Fruin: de Nederlandse natie moest net als andere Europese naties in de negentiende eeuw nog worden opgebouwd zodat de staatkundige eenheid ook een emotionele werd. Te Velde concludeerde dat Fruin niet alleen als een interessante ‘bron’ van de negentiende eeuw kan worden beschouwd maar dat we ook van hem kunnen leren dat historici maatschappelijke bijdragen moeten leveren aan de debatten van hun tijd (in Fruins tijd dus de ontwikkeling van het liberale stelsel en de natievorming). Hierna volgde de aanbieding van het boek Het vaderlandse verleden. Robert Fruin en de Nederlandse geschiedenis door Herman Paul (universitair docent in Leiden en mede redacteur) aan Marjan Schwegman, directeur van het NIOD, en Piet de Rooy, hoogleraar Nederlandse geschiedenis (UvA).
Schwegman sprak vervolgens over haar ervaringen als lid van de Commissie-Davids die de Nederlandse besluitvorming over de Irak-oorlog onderzocht. Volgens Schwegman moet je niet ‘naïef’ denken over de scheiding tussen historisch onderzoek en politiek-maatschappelijke belangen of tussen ratio en emotie: het zijn twee kanten van dezelfde medaille en een historicus moet daarmee altijd werken. Zoals Fruin vindt zij dat het aankomt op het ‘karakter’ van de historicus, die met zelfdiscipline, zelfverloochening en zelfbescherming moet voorkomen dat persoonlijke emoties of abstracte ratio’s gaan domineren in zijn/haar historisch verhaal. Daarbij stelde Schwegman terzijde dat de komst van meer vrouwelijke historici en onderzoekers als positieve gevolg kan hebben dat ratio en emotie niet langer als tegenpolen worden beschouwd in wetenschappelijk en historisch onderzoek.
Piet de Rooy opende met een oproep tot meer partijdigheid van historici: veel van hun werk is vindt hij nu te irrelevant. Hij haalde daarvoor een andere vereiste aan die Fruin formuleerde: een goed historisch onderzoek moet ‘stof tot nadenken’ opleveren zodat je er wat van kan leren. Voor Fruin stond het vast dat je kon leren van het verleden, een inzicht dat historici de laatste decennia lijken te hebben veronachtzaamd, aldus De Rooy. Door ‘de jaren 60’ is het idee van het nut van het verleden en daarmee van geschiedenis verloren gegaan; een gevolg van wetenschappelijke ‘professionalisering’ en de opkomst van de babyboom generatie die hun persoonlijke opvattingen van het nu tot politiek verhieven en deze belangrijker vonden dan leren van het gemeenschappelijke verleden. Hierdoor nam het belang van geschiedenis af en viel tevens het gemeenschappelijk kader voor burgers in de samenleving weg. Deze individualisering en veronachtzaming van het verleden werd door Nieuw Links op de agenda gezet maar in de jaren tachtig door conservatief rechts en in de jaren negentig door sociaaldemocratische Derde Weg politici als Wim Kok, Tony Blair en Bill Clinton overgenomen. Het gevolg was dat politiek en geschiedenis uit elkaar gingen. Politici vonden het verleden onbelangrijk en historici vonden politiek, die alleen maar over de hectiek van de dag gaat, minder interessant dan onderzoek naar economische en culturele ontwikkelingen. Daarbij hebben de Nederlandse politieke historici van de afgelopen decennia zich weinig verdiept in politiek als een proces van ‘who gets what, when, how’ terwijl het juist daar in politiek vooral over gaat. Dit heeft als gevolg dat onderzoek naar bijvoorbeeld macht, managementstijlen en corruptie, thema’s die internationaal wel worden onderzocht, lange tijd geen aandacht hebben gekregen in de Nederlandse geschiedenis. Na 2000, door 9-11, Fortuyn, identiteitsdebatten en Europa, hebben politiek en maatschappij weer interesse in geschiedenis en de mening van historici. In 2006 werd daarom besloten het Nationaal Historisch Museum (NHM) op te richten als instituut dat kennis van het verleden moet leveren en moet bijdragen aan het gemeenschappelijk historisch gevormde kader van waaruit Nederlanders leven. Volgens De Rooy ligt de bal nu bij historici, die zich met deze hernieuwde aandacht vanuit de politiek tot nog toe geen raad weten en daarom vaak de boot afhouden. Van Fruin kunnen we echter leren, aldus De Rooy, dat politiek en geschiedenis niet altijd gescheiden zijn geweest en dat de taak van de historicus gelegen is in het maken van ‘stof tot nadenken’. Concreet moeten historici daarom meer aandacht aan politiek-maatschappelijke vraagstukken besteden, meer beoordelend dan afwachtend zijn en meer lange termijn patronen aantonen in politiek en maatschappij.
Helaas was er geen discussie waarin werd ingegaan op de inleiding van de rector en de drie interessante lezingen. Er bleven nogal wat punten open voor discussie. Weten huidige historici dat een van hun taken ligt in contact leggen met de maatschappij? En van welke politiek-maatschappelijke vraagstukken moeten historici in ieder geval wat vinden? Moeten zij in een ‘politieke’ commissie als de commissie-Davids zitting nemen en zo ja wat is dan precies hun rol? En wat vinden we eigenlijk van dat al of niet bestaande onderscheid tussen ratio en emotie? Of, naar aanleiding van De Rooy’s inleiding: gaan we ons als historici meer op ‘echte’ politiek richten (‘who gets what, when, how’) of blijven we liever tegen de politiek-culturele kant aanschurken? En wat betekent het als ons werk ‘stof tot nadenken’ moet opleveren? Welk werk voldoet daar wel aan en welk niet? Kortom, allemaal punten die tonen dat het ambt van de historicus en de relatie tussen politiek en geschiedenis net als in de tijd van Fruin en de jaren 1960 ook nu weer een transitieperiode doormaken.

Het Groot Geschiedenisverkiezingsdebat
Na de theepauze volgde ‘Het Groot Geschiedenisverkiezingsdebat’ waaraan de (kandidaat-) Kamerleden Atzo Nicolaï (VVD), Frans Timmermans (PvdA), Jan Schinkelshoek (CDA) en Boris van der Ham (D66) deelnamen onder leiding van Henk te Velde. Alle politici maakten aan de hand van hun voorbeeldfiguur duidelijk wat de relatie tussen geschiedenis en politiek voor hen inhoudt.
Nicolaï koos Baruch Spinoza: vrijzinnig denker en pantheïst als tegenhanger van een te eenzijdige nadruk op de Joods-christelijke traditie in het huidige Nederland en Europa. Van der Ham koos voor Franciscus van den Enden, de leermeester van Spinoza, als iemand die durfde te zeggen waar hij voor stond. Schinkelshoek koos Abraham Kuyper, omdat hij politiek van een elite tot een volksaangelegenheid maakte. En Timmermans koos Thomas Adorno, omdat hij de relatie tussen herinneren en voortleven problematiseerde (in Adorno’s geval de omgang met de Holocaust) en de valse tegenstelling tussen mythe en waarheid aantoonde door erop te wijzen dat de Verlichting niet het einde was van het geloof in destructieve mythes – zoals de totalitaire ideologieën en regimes van de twintigste eeuw hebben bewezen. Op de vraag van Te Velde waarom geschiedenis interessant is voor politici antwoordden ze allen met veel overtuiging. Voor Nicolaï kan geschiedenis vastigheid geven in een woelige tijd als de onze, vandaar zijn voorzitterschap van de Raad van Toezicht van het Nationaal Historisch Museum. Ook voor Timmermans bieden historische verhalen samenhang en daarmee vaste grond aan Nederlanders die naarstig op zoek zijn naar wat ze met hun medeburgers delen. Volgens Van der Ham kan geschiedenis reflectie en inspiratie bieden en patronen aantonen. Schinkelshoek sloot zich hierbij aan en riep historici op zich meer in het maatschappelijk debat te mengen.
Hierop stelde Te Velde de terechte vraag of politici geschiedenis in het onderwijs dan niet belangrijker moeten maken en duidelijker moeten aangeven wat ze eigenlijk van historici verlangen? Hier hadden de heren politici niet direct een eenduidig antwoord op, maar uit hun verschillende opmerkingen bleken een aantal overeenkomsten. Allereerst moeten we als historici volgens deze politici tonen wie we zijn, wat we met anderen delen en welke gemeenschappelijke rechten en plichten hieruit voortvloeien. Daarnaast is een einde gekomen aan het korten op het aantal uren geschiedenisonderwijs (hoewel dat na 9 juni weer kan veranderen). Ook aan feitenkennis, een canon, het vieren van jubileumjaren en chronologie werd veel belang gehecht, dit alles moet door en met hulp van historici worden overgedragen aan kinderen en volwassenen. Volgens Timmermans krijgen mensen hiermee weer het fundament terug op basis waarvan zij concurrerende politieke en historische verhalen kunnen beoordelen (zijn wij nou wel of niet een land van tolerantie en vrijdenkerij, en ligt onze toekomst in Europa of niet etc.).
Natuurlijk kon onder het toeziend oog van de directeuren van het NHM, die op de eerste rij hadden plaatsgenomen, debat over het museum niet uitblijven. Van der Ham die probeerde de discussie over de locatie weer open te gooien werd in een vroeg stadium door Schinkelshoek geattaqueerd omdat ‘we het daar nu eens niet meer over moeten hebben’, maar juist over het verhaal dat dit museum gaat vertellen. Opmerkingen waar de anderen stilzwijgend mee instemden. Hoewel Timmermans het NHM-debat zag als een ‘gouden kans’ het Nederlandse museumbeleid op de schop te nemen: er zijn teveel musea en ze werken nauwelijks samen. Naar aanleiding van een vraag uit de zaal hoe politici het gezag van historici gaan herstellen wezen de politici de historici terecht. De commissie-Davids wordt bestempeld als politiek, dat is niet erg maar dan moeten historici zich niet verschuilen achter hun wetenschappelijke onafhankelijkheid maar juist stelling nemen: dat geeft hen meer gezag. Ook hebben, aldus de politici, historici zelf het verschil tussen nationale en internationale geschiedenis geconstrueerd en is het dus aan henzelf het weer af te breken, ze kunnen niet de politiek de schuld geven van een keuze voor een ‘nationaal’ historisch museum. Tot slot moeten historici net als politici expliciteren welke waarden en normen en dus welke verhaallijn zij kiezen (Nederland als land van eeuwenoude tolerantie of juist als land van conflict, kleine gebaren etc.). Hiermee herhaalden de politici wat De Rooy al stelde: ook historici moeten meer partijdig zijn omdat dat een onderdeel is van hun functioneren en hun werk daarmee (weer) stof tot nadenken geeft.
En wat was nu de consensus onder historici na deze uitdagende opmerkingen? Dat bleef net als tijdens het eerste debat onduidelijk. We blijven toch vooral goed in genuanceerde vragen stellen, maar of dat werkelijk is waar politiek en maatschappij op zitten te wachten en of dat de ontwikkeling van geschiedwetenschap ‘verder’ brengt blijft open.

Ronald Kroeze (Vrije Universiteit Amsterdam)